Rijkswet op het Nederlanderschap

rijkswet
foto: patries71

Vraag aan het CDA, D66, GL en de VVD (kamerlid Sterk, kamerlid Schouw, kamerlid Dibi en kamerlid van Nieuwenhuizen)
De Rijkswet op het Nederlanderschap is gewijzigd op 01-10-2010. Daarin staat in Artikel 6, lid 1: Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap: onder i. de vreemdeling die vóór 1 januari 1985 is geboren uit een moeder die ten tijde van zijn geboorte Nederlander was, terwijl de vader ten tijde van die geboorte niet-Nederlander was. De wetgever erkende dus in 2010 dat de rol van de vrouw tot 1985 niet gelijkwaardig was ten opzichtte van de man, vandaar dat de Rijkswet is aangepast, maar zij heeft niet naar scheidingskinderen gekeken, deze bleven buitengesloten en zijn in juridische zin nog steeds niet gelijkwaardig aan de moeder, omdat het Nederlanderschap van de moeder tot op de dag van heden geen betekenis heeft en blijft voor deze groep de Wet Nederlanderschap en Ingezetenen (WNI1892) gelden.
Individueel voorbeeld:
Mijn moeder verkreeg na haar scheiding op 02-07-1982 haar Nederlanderschap terug, alleen kon ik niet in de optieverklaring worden meegenomen, omdat dit wettelijk niet was toegestaan (WNI1892) en zij overleed op 18-08-1987. Waarom worden scheidingskinderen niet gelijkgesteld aan een latente Nederlander, beiden hadden ten tijde van leven een Nederlandse moeder, al dan wel niet op het moment suprême (het tijdstip van de geboorte)?

Geen antwoord van GL (21/3, kamerlid Dibi)
GL zal geen antwoord geven.

Geen antwoord van het CDA (20/5, kamerlid Sterk)
Na 3 maanden en twee keer rappelleren is geen antwoord ontvangen.

Geen antwoord van D66 (20/5, kamerlid Schouw)
Na 3 maanden en twee keer rappelleren is geen antwoord ontvangen.

Geen antwoord van de VVD (20/5, kamerlid van Nieuwenhuizen)
Na 3 maanden en twee keer rappelleren is geen antwoord ontvangen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.